GO
Contact Close X
 
Voorbereiden
REISBIJSTAND
Reis je alleen of met het gezin? Hoe vaak per jaar? Kies de formule die bij jou past !
terug naar overzicht

Verkeersregels in Duitsland

Voorrang

Wanneer ingevolge een rijbaanversmalling of door een vermindering van het aantal rijstroken twee files zich in één enkele file moeten voegen, dan mag beurtelings een voertuig uit de ene file en een voertuig uit de andere file doorrijden (zogenaamde "ritssluitingsysteem"). Het invoegen moet vlak voor de vernauwing gebeuren.

Het verkeer op een rotonde heeft voorrang, tenzij de verkeerssignalisatie een andere regel oplegt.

Lijnbussen en schoolbussen hebben voorrang bij het verlaten van hun halteplaats, ook buiten de bebouwde kom.

Tramvoertuigen genieten niet van de absolute voorrang ten opzichte van de andere voertuigen.

Op autosnelwegen en, buiten de bebouwde kom, op wegen met minstens 2 rijstroken in de gevolgde richting, zijn de bestuurders verplicht om bij een verkeersopstopping een nooddoorgang vrij te maken. Daartoe moeten de bestuurders in de linkerrijstrook zo veel mogelijk naar links uitwijken en de bestuurders in de ander rijstroken zo veel mogelijk naar rechts.
De nooddoorgang is bestemd voor de voertuigen van politie en van de hulpdiensten.

Inhalen en kruisen

  • In éénrichtingsstraten mogen trams zowel rechts als links ingehaald worden.
  • Wanneer een lijnbus of schoolbus bij het naderen van zijn halteplaats zijn waarschuwingslichten aanzet, is het voor andere voertuigen verboden hem in te halen ; vanaf het moment dat de bus volledig stilstaat aan zijn halteplaats mag hij stapvoets voorbijgereden worden (4 à 7 km/u). Ook de tegenliggers moeten vertragen en stapvoets gaan rijden. Die regels gelden zowel binnen als buiten de bebouwde kommen.
  • Voertuigen van meer dan 7,5 ton mogen niet inhalen wanneer de zichtbaarheid ingevolge mist, sneeuwval of regen, minder dan 50 meter bedraagt.          

Snelheidsbeperkingen

binnen de bebouwde kom: 50 km/u

buiten de bebouwde kom:

Personenwagens en kampeerauto's tot 3,5T 

Personenwagens met aanhangwagen

 Kampeerauto's (zonder aanhangwagen) tussen 3,5T en 7,5T
Op autosnelwegen en op wegen met gescheiden rijbanen (minimumsnelheid 60 km/u) 130 km/u
(aanbevolen maximumsnelheid)
 
80 km/u * 100 km/u
Op andere wegen 100 km/u 80 km/u    80 km/u


Wanneer ingevolge mist, regen of sneeuw de zichtbaarheid minder bedraagt dan 50 m, dan mag niet sneller dan 50 km/u gereden worden.

Een voertuig dat een ander voertuig (met pech) sleept op een autosnelweg, mag niet sneller dan 80 km/u rijden. Het traject via de autosnelweg moet zo kort mogelijk gehouden worden. 

Minimumsnelheid op autosnelwegen : 60 km/u

GPS-toestellen die informatie verschaffen over de plaats van snelheidsradars, zijn verboden. Ze moeten buiten werking gesteld worden alvorens Duitsland binnen te rijden.

(*) Met een aanhangwagen of caravan is 100 km/u toegelaten indien aan een aantal strikte voorwaarden is voldaan, onder meer inzake uitrusting van de auto en de aanhangwagen, kenmerken en ouderdom van de banden, enz. Dat aan alle voorwaarden is voldaan moet bovendien bevestigd worden in een technisch keuringsattest dat vooralsnog enkel via een Duits of Nederlands keuringsstation te krijgen is. Daarom is het enkel voor Belgen die zeer vaak met een aanhangwagen naar Duitsland moeten interessant om het keuringsattest aan te vragen.

Beschermde zones

Sinds begin 2008 werden er 'milieuzones' (Umweltzone) afgebakend in bepaalde steden in Duitsland. De toegang tot die zones wordt aangeduid met een verkeersbord.  

allemagne2

Enkel wagens voorzien van een milieuvignet (Umweltplakette) worden in deze zones toegelaten. Deze reglementering geldt ook voor buitenlandse toeristen.

U kan de sticker aanvragen bij Touring. Klik hier voor meer informatie.

Signalisatie

Aan een overweg duidt een rood knipperlicht de komst van een trein aan.

Bus- of tramhalte


Aanbevolen snelheid


Omleiding op autosnelweg

Stilstaan en parkeren

Zigzaglijnen op de rijbaan duiden een zone aan waar stilstaan en parkeren verboden zijn.

Wanneer een voertuig langer geïmmobiliseerd is dan 3 minuten, of wanneer de bestuurder het voertuig verlaat (zelfs gedurende minder dan 3 minuten), dan gaat het om "parkeren".

Stilstaan en parkeren zijn ondermeer verboden: op de inrij of tegenover de inrij van een brandweerkazerne; op standplaatsen voor taxi's.

Parkeren is ondermeer verboden: niet alleen voor de inrij van eigendommen, maar ook, in smalle straten, aan de overkant van die inritten.

Een niet aangekoppelde aanhangwagen of caravan mag op een openbare plaats niet langer dan 2 weken geparkeerd staan.

Een omgekeerde driehoek met groene rand, waarin het symbool van een vliegende arend is vermeld, evenals de woorden "Landschafts-Schutzgebiet" duidt op een beschermde natuurzone: het parkeren is er verboden op de rijbaan en buiten de aangeduide parkeerplaatsen.

Overnachten in een voertuig

Het is verboden de nacht door te brengen in een voertuig dat op de openbare weg geparkeerd staat. Uitzonderlijk is dit wel toegelaten, namelijk wanneer het gaat om een rustpauze die - in het kader van een lange reis - noodzakelijk is om de bestuurder toe te laten op krachten te komen. Uiteraard moet ook in dat geval het voertuig correct geparkeerd staan en blijft het verboden te "kamperen" (b.v. het op de weg plaatsen van tafels of stoelen, ...).

In vele gemeenten bestaat op dit vlak nochtans een minder strikte reglementering (meer bepaald ten voordele van kampeerauto's, door aanduiding van specifieke parkeervakken op de grond).

Lichten

In een tunnel moet men altijd met de lichten aan rijden.

Mistlichten mogen slechts gebruikt worden wanneer ingevolge mist of sneeuw de zichtbaarheid minder dan 50 m bedraagt. 

Bij het slepen van een voertuig met pech moeten beide voertuigen hun noodlichten gebruiken (gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers). 

Een aanhangwagen die 's nachts op de rijbaan geparkeerd staat, moet altijd verlicht zijn (zelfs bij voldoende openbare verlichting).

Maximum toegelaten alcoholgehalte

0,5 pro mille 

0,0 promille voor bestuurders van minder dan 21 jaar, evenals voor bestuurders die sinds minder dan 2 jaar houder zijn van een rijbewijs.

Veiligheidsgordels en kinderzitjes

Zowel vooraan als achteraan moeten kinderen die kleiner zijn dan 1,50 m beschermd worden door een gehomologeerd veiligheidssysteem (kinderzitje, verhogingskussen, …).

Is in het voertuig geen gehomologeerd veiligheidssysteem beschikbaar, dan :

  • moeten kinderen van 3 jaar en ouder achteraan plaatsnemen en beschermd worden met de veiligheidsgordel of een ander veiligheidssysteem ;
  • mogen kinderen van minder dan 3 jaar niet in het voertuig plaatsnemen zonder aangepast veiligheidssysteem.      
Wie omwille van medische redenen vrijgesteld is van de gordelplicht moet dit kunnen aantonen met de officiële Belgische vrijstelling (afgeleverd door de FOD Mobiliteit en Vervoer), vergezeld van een vertaling naar het Duits.

Lading

De lading mag zijdelings niet buiten het voertuig uitsteken. Achteraan moet de lading, zoals bij ons, gesignaleerd worden van zodra de uitstek meer dan een meter bedraagt; de uitstek mag nochtans niet meer bedragen dan 1,50 m wanneer de af te leggen afstand meer dan 100 km bedraagt (maximum 3 meter wanneer de af te leggen afstand minder bedraagt dan 100 km).

Print