



Verkeersregels in Oostenrijk
Voorrang
Bij een vermindering van het aantal rijstroken waar twee files zich in één enkele file moeten voegen, mag beurtelings een voertuig uit de ene file en een voertuig uit de andere file doorrijden (zogenaamde "ritssluitingsysteem").
Op kruispunten geregeld door verkeerslichten moeten de automobilisten voorrang verlenen aan de fietsers die afdraaien.
Een voertuig van de urgentiediensten (politie, brandweer, enz.) heeft altijd voorrang.
Sinds 1 januari 2012 zijn bestuurders van motorvoertuigen verplicht om, bij verkeersopstoppingen op autosnelwegen en wegen met twee rijbanen, een nooddoorgang vrij te maken. Daartoe moeten de bestuurders in de linkerrijstrook zo veel mogelijk naar links uitwijken en de bestuurders in de ander rijstroken moeten naar rechts uitwijken. Zo nodig mag daartoe op de berm of op de pechstrook gereden worden.
De nooddoorgang is bestemd voor voertuigen van politie, brandweer, ziekenwagens en pechdiensten, maar de verplichting tot het creëren van een nooddoorgang geldt van zodra het verkeer sterk vertraagt of dreigt vast te lopen, zelfs indien er geen enkel voertuig van de nooddiensten te bespeuren valt en zelfs indien de voertuigen vóór u nog niet begonnen zijn met het vrijmaken van de doorgang.
Zware boetes zijn voorzien voor wie een voertuig van de nooddiensten ophoudt of onterecht in de nooddoorgang rijdt.
Inhalen
Het is verboden een schoolbus in te halen (voorzien van een gele plaat) wanneer hij stilstaat om kinderen te laten in- of uitstappen en hij zijn gele pinklichten laat werken.
Bij het inhalen van een stilstaande tram moet stapvoets gereden worden en moet een zijdelingse ruimte van minstens 1,50 meter vrij gelaten worden.
Op een overweg is elk inhalen verboden, evenals het rechtsomkeer maken; bovendien is het ook verboden een voertuig met meer dan twee wielen in te halen op minder dan 80 meter vóór de overweg, evenals onmiddellijk er na.
Kruisen
Wanneer op een bergweg twee voertuigen elkaar niet kunnen kruisen, moeten ze beide stoppen; achteruit rijden is dan verplicht voor degene die dit manoeuver het gemakkelijkst kan uitvoeren (afhankelijk van het type voertuig en van de situatie).
Geluidshoorn
Het gebruik van de geluidshoorn is verboden in Wenen en in de nabijheid van ziekenhuizen.
Snelheidsbeperkingen
binnen de bebouwde kom : 50km/u (te Graz geldt een snelheidsbeperking van 30 km/u, behalve wanneer anders is aangeduid).
buiten de bebouwde kom :
| Op autosnelwegen (minimum snelheid 60km/u) | Op andere wegen | |
| Personenwagens en kampeerauto's tot 3,5T | 130 km/u (1) | 100 km/u |
| Personenwagens die een aanhangwagen of caravan trekken van max. 750 kg | 100 km/u | 100 km/u |
| Personenwagens met aanhangwagen of caravan van meer dan 750 kg : | ||
| 100 km/u | 80 km/u |
| 70 km/u | 60 km/u |
| Kampeerauto's van meer dan 3,5T | 80 km/u | 70 km/u (2) |
(1) 110 km/u ‘s nachts tussen 22 u en 5 u op de volgende autosnelwegen: A10 (Tauern), A12 (Inntal), A13 (Brenner), A14 (Rheintal).
(2) 60 km/u op de meeste wegen in Tirol.
Minimumsnelheid op autosnelwegen : 60 km/u
Voertuigen met spijkerbanden mogen niet sneller dan 100 km/u op autosnelwegen en 80 km/u op andere wegen
Wanneer een voertuig een ander sleept mag het niet meer dan 40 km/u rijden; voertuigen die een toelating hebben om in een woonerf te rijden ("Wohnstrasse") mogen er niet sneller dan 5km/u rijden.
Signalisatie
Een groen knipperlicht betekent dat het rode licht zal verschijnen; voertuigen die er dichtbij zijn mogen doorrijden; de andere moeten zich klaar maken om te stoppen.
Een oranje knipperlicht dat samen met een rood licht brandt betekent dat het groene licht zal verschijnen.

Omleiding
.
Openbare verlichting werkt niet gedurende de hele nacht
Weg zonder voorrang
.
Voorrangsweg
.
Doodlopende weg

Voertuig in de verboden richting (electronisch verkeersbord)
Stilstaan en parkeren
Stilstaan is toegelaten voor inrijen evenals op rijstroken voor bussen en trams, op voorwaarde dat de chauffeur aan het stuur blijft om de doorgang vrij te maken wanneer dit nodig is.
Op plaatsen waar het parkeren verboden is door een verkeersbord, mogen voertuigen stilstaan gedurende 10 minuten of voor het laden van het voertuig.
Een zigzaglijn betekent dat het parkeren verboden is.
In de meeste Oostenrijkse steden is het parkeren betalend (parkeermeters, vooraf gekochte parkeerbiljetten, ...).
Blauwe lijnen en verkeersborden zoals hieronder afgebeeld duiden een blauwe zone aan waar de parkeertijd beperkt is. Een parkeerticket (te koop o.m. in de tabakswinkeltjes) moet zichtbaar op het dashboard gelegd worden en met een rood kruisje moeten maand, dag en uur aangekruist worden waarop het parkeren begint. Maximumparkeerduur is 1u 30, tenzij een kortere duur is aangeduid.

Een niet-aangekoppelde caravan mag niet geparkeerd blijven staan op een openbare parking.
Overnachten in een voertuig
Om de bestuurder de mogelijkheid te geven uit te rusten na een lang traject, wordt doorgaans toegelaten één enkele nacht door te brengen in een kampeerauto die correct geparkeerd staat op de openbare weg of op een autosnelwegparking (maar het is wel verboden tafels, stoelen, enz. rond het voertuig uit te stallen).
De reglementering inzake parkeren en overnachten in een kampeerauto of in een caravan verschilt nochtans erg van het ene "Land" tot het andere: algemeen gesproken is de reglementering vrij restrictief, meer nog in beschermde plaatsen of landschappen en in de onmiddellijke nabijheid van de meren. Behalve op plaatsen waar een signalisatie het parkeren en/of het verblijf uitdrukkelijk toelaat of verbiedt, is het aan te raden ter plaatse informatie in te winnen.
Maximum toegelaten alcoholgehalte
0,5 pro mille
0,1 promille voor bestuurders die sinds minder dan 2 jaar houder zijn van een rijbewijs, evenals voor bestuurders van vrachwagens en autobussen.
Veiligheidsgordels en kinderzitjes
Een kind van minder dan 14 jaar en kleiner dan 1,50 meter moet, vooraan zowel als achteraan, geplaatst worden in een speciaal kinderzitje ofwel beveiligd worden door middel van een gordel die aangepast is aan zijn gestalte.
Een kind van minder dan 14 jaar maar groter dan 1,50 meter moet de gewone veiligheidsgordel dragen, maar omgekeerd moet iemand van meer dan 14 jaar die kleiner is dan 1,50 meter gebruik maken van een gordel die aan zijn gestalte is aangepast.
Gevaarsdriehoek
Bij immobilisatie van een voertuig op een weg buiten de bebouwde kom (pech, ongeval, noodweer, plaats met slechte zichtbaarheid), moet de gevaarsdriehoek geplaatst worden op een voldoende afstand achter het voertuig.
Veiligheidsvestje
De bestuurder van een voertuig met 2 of meer assen moet in het bezit zijn van een reflecterend veiligheidsvestje. Hij moet het aandoen wanneer hij buiten de bebouwde kom uit zijn voertuig moet stappen op een autosnelweg of een express-weg, b.v. bij pech of ongeval, of om de gevaarsdriehoek te plaatsen.. Het vestje moet geel, oranje of rood fluorescerend zijn en overeenstemmen met de Europese norm EN471.











