Andalousië - Erfenissen in steen
Wie een klassieke rondreis door Andalusië maakt, misloopt vaak verborgen juweeltjes. Van een stad als Jaen zegt mijn reisgids dat het een moderne, oninteressante stad is terwijl ze één van de mooiste kathedralen van Spanje bezit.
Met enige verbijstering bestudeer ik de klassieke rondritten door Andalusië. ’s Ochtends ontbijten in Granada en ’s avonds tafelen in Cordoba. Een overvloed aan cultuur op een te korte tijd, lijkt het mij. Ik opteer dan ook voor een rustige fly and drive formule op eigen ritme vanuit Malaga. Hoogtepunt op deze tocht blijft natuurlijk Granada, maar ik heb de stad al bij een vorige reis bezocht, en laat ze deze keer bewust links liggen. Lowcost vluchten vertrekken uit Zaventem steevast om zes uur in de ochtend, nauwelijks drie uur later zit je al in een huurauto op de autoweg van Malaga richting Jaen.
Vijftig kilometer verder is Antequera een goede keuze om te genieten van een eerste kopje Spaanse koffie. Er zijn nauwelijks toeristen en we kunnen rustig onze auto parkeren aan de Arco de los Gigantes, de indrukwekkende stenen poort die toegang geeft tot het Alacazaba. Van hieruit heb je het mooiste uitzicht op het witte stadje en de talrijke klokkentorens die bij even zoveel kerken horen. Op de autoweg maken we een omweg van een paar kilometer om via de afslag Loja - alweer een typisch wit en volkomen onbekend stadje - te lunchen in één van de mooiste hotels van Andalusië, La Bobadilla, met prachtig terras én uitzicht. Een schitterende beslissing blijkt achteraf, want dit zijn zowat de laatste warme zonnestralen waar we tijdens deze reis van genieten. De volgende dagen lijkt het wel of de zondvloed is losgebarsten. Klagen durven we niet, de stortregens zijn nagenoeg het eerste water dat sinds vier jaar uit de hemel valt en elke madonna wordt terplekke uitbundig beloond met brandende kaarsen en een brede gelukkige glimlach.
![]() |
| © Chris Vandendriessche |
Zestig miljoen olijfbomen
Zestig miljoen olijfbomen telt de provincie Jaen, dat is voor elke Spanjaard anderhalve boom. Noordwaarts van Granada lijken de heuvels eindeloos bedekt met een noppendeken van zilvergrijze knoopjes, in netjes afgelijnde rechte rijen. Er is nauwelijks een huis te zien, de dorpen lijken wel ingeslapen, maar van november tot februari als de olijven geoogst worden, heerst er een koortsachtige drukte, want olijven plukken is handwerk. Aan elk van die zestig miljoen bomen wordt er geschud en de kilo’s vruchten die van de takken vallen, moeten opgevangen worden in netten die zorgvuldig onder de bomen zijn gespannen. Tractoren rijden af en aan naar de alcalazahars, de olieperserijen. Er zijn knoestige grillige tronken die honderden jaren oud zijn, maar ook ontelbare jonge aanplantingen, tot hoog in de bergen op hellingen zo steil dat je met verwondering vraagt hoe ze daar nog kunnen geoogst worden.
Andalusië is de bakermat van de flamencomuziek. De exacte roots zijn niet bekend, maar vermoed wordt dat zigeunermuziek de basis was en vermengd werd met christelijke, joodse en Moorse invloeden.
De weg slingert lustig over en langs de olijfbergen door het natuurpark van de Sierra Magina. Al van ver zie je het stadje Jaen liggen, gedomineerd door het indrukwekkende Alcazaba, de Moorse versterkte burcht. De Spaanse Koning Ferdinand de Heilige maakte er een echt versterkt kasteel van. Het grootste deel van de vestiging is ingepalmd door de Parador, maar doe zoals de inwoners van Jaen, ga in de ridderzaal lunchen en geniet van een koffie op het terras. Twee gebouwen tronen boven de kronkelende straatjes uit, het zijn de schitterende renaissance kathedraal en het imposante glazen skelet van El Corte Ingles, het ‘incontournable’ Spaanse warenhuis. Een tempel van de commercie net zo hoog als de tempel van het geloof, zo gaat dat in de tegenwoordige tijd. In het voormalige medina hebben ze bij de restauratie van een paleisje nog niet zo lang geleden een bijna intact badhuis gevonden, Los Banos Arabes.


















