Libië - Avontuur in het zand
Libië lokt sinds kort weer toeristen met zijn indrukwekkende, uitgestrekte woestijnen, adembenemende rotsschilderingen en gravures. Tegenover deze natuur voelt de mens zich bescheiden en klein.
“Libië is een zee van zand, olie en gas. Maar water is er schaars, en wij zouden al onze olie gerust willen ruilen om er te hebben.”
Dat zijn zowat de eerste woorden van gids Otman bij de landing van de vlucht die ons vanuit Amsterdam via Tripoli naar Sebha bracht. Hij vindt het belangrijk ons meteen bewust te maken van dit probleem, zodat we tijdens ons verblijf van een week in het hart van de Libische woestijn zuinig zouden omspringen met water.
![]() |
| © Danielle Mallinus |
Wij, dat zijn acht expeditieleden die door het toeval werden samengebracht, en samen kunnen genieten van de opheffing van het embargo op toerisme in 2004. Een week lang gaan we fabelachtige momenten beleven, onze ogen de kost geven voor de wonderen van de natuur en de menselijke verwezenlijkingen uit het neolithicum. We zullen sterke momenten delen met onze 4x4-chauffeurs en onze kok, een land ontdekken dat in onze westerse beeldvorming al te negatief werd voorgesteld, en een aantal vooroordelen bijstellen.
In de late namiddag arriveren we in Sebha en kuieren rond in het stadje. We ontdekken er de gigantische portretten van kolonel Kadhaffi die hier een deel van zijn studies deed, we horen er de muezzin door de luidsprekers oproepen tot het gebed, we maken een avondwandeling over de markt met de netjes geordende stalletjes, we raden wat er in de grote ketels pruttelt die hier op straat staan, we laten ons meevoeren door de menigte van handelaars en wandelaars en laten ons onderdompelen in een zonderlinge sfeer.
De Tadrart Akakus
Vroeg in de ochtend trekt de karavaan zich op gang. Drie Toyota Land Cruisers – met 600.000 km op de teller – voor de acht passagiers en hun begeleider, met in ons kielzog een jeep voor de bevoorrading. Otman, de vier chauffeurs (zij zijn Libiërs én eigenaar van hun voertuig), de kok (een Egyptenaar) en wij, de toeristen, samen 15 uitgelaten avonturiers. Hét ideale aantal om te ontdekken zonder te verstoren. Om echte contacten te leggen zoals alleen de woestijn dat toelaat. De eerste kilometers over het asfalt zijn ietwat teleurstellend. In rechte lijn, vlak, eentonig. We zien enkel verlaten uienvelden, fruitbomen en dadelpalmen. Voor de rest, niemand en niets te zien. We maken een tussenstop in een tankstation waar de benzine € 0,15 per liter kost. Daar kunnen wij alleen maar van dromen.
We houden halt in een dorp voor de aankoop van een cheich die ons zal beschermen tegen de wind, de zon en de nachtelijke kou. De kilometers schuiven voorbij tot we stoppen voor het middagmaal. De kok is vooruitgereden en heeft er tafels en banken onder een acacia geïnstalleerd voor een heerlijke lunch van tomaten, komkommers, erwtjes, bonen, tonijn, kaas, bananen, water en thee.
Elke vorm van alcohol is in Libië verboden en enkel bij het avondmaal worden frisdranken geserveerd. Na de maaltijd hebben we even vrij voor een siësta en de aankoop van enkele berbersieraden van Toearegs uit Niger die nabij het kampement zijn neergestreken. We leren ook hoe belangrijk de acacia is in deze droge gebieden. Deze boom zorgt voor beschutting tegen de verschroeiende zon, het hout wordt gebruikt om zich te verwarmen en hij voedt de dromedarissen. In de namiddag bezoeken we Germa, de vroegere hoofdstad van het land van de Garamanten, de mysterieuze woestijnruiters waarover Herodotus het had in een van zijn boeken.
Bezienswaardigheden: een verouderd museum, antieke graven, een Romeins mausoleum en een charmante oude stad, die in de 5de eeuw door de Berbers werd ingenomen. Het is er aangenaam ronddolen in de schaduw van de stoffige palmbomen.
Twee uur later komen we, na 450 kilometer asfalt en een dertigtal kilometer op onverharde weg, aan in het hart van het Akakusplateau. Hier voelen we dat de reis, waar we tijdens de grijze Belgische winter zo hadden naar uitgekeken, echt begonnen is. We worden getrakteerd op een eerste, betoverende zonsondergang tussen de grillige rotsen van zandsteen en leem. We brengen de nacht door onder de sterren in een comfortabele lodge. Vanuit onze Akakus Magic Lodge zullen we twee dagen lang het massief doorkruisen dat aansluit bij het nabije Tassili N’Ajjer in Algerije. Een enorm openluchtmuseum dat door de Unesco tot werelderfgoed werd uitgeroepen. Verspreid over honderden sites bevinden zich duizenden muurschilderingen en gravures. We maken kennis met de getuigenissen die de mens uit de prehistorie ons naliet en leren de periodes te onderscheiden: die van de jagers, de oudste, waarin getoond wordt dat giraffen, olifanten, neushoorns en moeflons hier nog leefden voordat het gebied woestijn werd. Daarna volgde de periode van de huisdieren, gevolgd door de paarden en kamelen.
De fresco’s, waarvan sommigen tienduizend jaar oud zijn, wisten de tand des tijds te weerstaan omdat ze beschermd werden door rotsen, maar ook dankzij een droog klimaat en het feit dat deze plaatsen nagenoeg verlaten bleven. Sinds de opening van de woestijn voor het toerisme is al onherstelbare schade aangebracht. Naar verluidt aarzelen sommige toeristen niet om de fresco’s nat te maken opdat de kleuren levendiger zouden uitkomen op de foto. De grotten worden ondertussen beter beschermd en het is verboden om de sites zonder begeleiding te betreden.


















