







Het mysterie van de Dogon
Mali is een land in volle groei en heeft een jonge bevolking. Het onderwijs staat echter nog in de kinderschoenen. We bezoeken een lagere school met een honderdtal kinderen die, bij gebrek aan onderwijzers en het lange eind dat ze moeten lopen, maar af en toe naar school komen.
Toch bedraagt het scholingspercentage van de 7 tot 12-jarigen 54%, tegen slechts 32% tien jaar geleden. Sinds 1996 stijgt het aantal scholen en in Bamako ging er zopas zelfs een universiteit open, wat alvast hoopgevend is. Op weg naar Segou – de tweede stad van het land die opvalt door haar neosoedanese koloniale architectuur – houden we halt in een bos met baobabs. Een baobab of apenbroodboom kan bijzonder oud worden en staat symbool voor het hele Afrikaanse continent. Deze majestueuze soort wordt tot 25 meter hoog en geeft langwerpige vruchten af waarvan men de zaden verwerkt tot huishoudolie. Wat verderop zien we termietennesten, sommige wel tot 7 meter hoog. Geen wonder dat ze ook wel kathedralen genoemd worden. De inwoners van Segou zijn Bambaraboeren en Bozo-vissers die hun netten uitwerpen aan de oevers van de Niger.
Op de markt mogen wij hun vangst bewonderen. De moskee en de huizen zijn opgetrokken uit banco, een mengsel van baksteenrode aarde en stro. Vlak bij de rivier zijn de vrouwen druk in de weer met de was en hun toilet, terwijl hun kinderen ravotten. Even verderop, in de schaduw van een grote mangoboom, pelt een groep vrouwen gierst, terwijl een visser zijn netten herstelt. Een idyllisch plaatje van een rustig dorp…
Wie in Djenné aankomt, denkt meteen aan een filmdecor. En toch is alles hier echt: de roodaarden straten, de huisjes met twee verdiepingen in Soedanees-Marrokaanse stijl, de Koranscholen, en tot slot de grootste moskee ter wereld uit aarde opgetrokken. Het oudste deel van dit bijzondere bouwsel dateert uit de 13de eeuw. In 1907 werd de moskee heropgebouwd en ze biedt plaats aan 50.000 gelovigen. Ze is helemaal opgetrokken uit banco en krijgt jaarlijks een nieuwe deklaag.
In april gaan alle inwoners van Djenné aan de slag om deze stadsparel te onderhouden. De beste dag om Djenné te bezoeken is op maandag. Dan is het de wekelijkse marktdag, waarvoor Peulse vrouwen zich tooien met prachtige gouden juwelen en gevlochten oorringen. Een schitterend spektakel in een stad die de Unesco in 1988 meer dan verdiend uitriep tot werelderfgoed als “juweel van de Nigervallei”.




